Evaluatie stelselherziening Tandheelkundige Zorg

CVZ_box_185Opdrachtgever: College voor Zorgverzekeringen

Steekwoorden: zorg, zorgverzekering, verzekerd pakket

Jaar: 2004

Inleiding
Per 1 januari 2004 is besloten, naast een aantal andere vormen van tandheelkundige zorg, de periodieke controle niet meer te vergoeden in het basispakket van de zorgverzekering. Met name het wegvallen van de vergoeding van periodieke controle kan grote invloed hebben op de toegankelijkheid van de tandheelkundige zorg. Wanneer financiële motieven een rol gaan spelen is immers aannemelijk dat het eerst wordt bezuinigd op tandartsbezoek zonder medisch noodzakelijke reden. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft daarom besloten de gevolgen van deze meest recente herziening in kaart te brengen.

Werkwijze
Het onderzoek gaat uit van een viertal deelvragen:

  1. In hoeverre zijn ziekenfondsverzekerden bekend met de stelselherziening van 1 juli 2003 en 1 januari 2004?
  2. In hoeverre is het verzekergedrag na de stelselherziening gewijzigd?
  3. Welke motieven hebben een rol gespeeld bij het bepalen van het verzekergedrag sinds de stelselherziening?
  4. In hoeverre hangt het verzekergedrag samen met de voorgenomen bezoekfrequentie voor periodieke controle?

Een representatieve steekproef van 1500 ziekenfondsverzekerden is met een telefonische enquête bevraagd over hun verzekergedrag en (voorgenomen) tandartsbezoek. Om uitspraken te kunnen doen over verbanden tussen de sociaal economische status enerzijds en verzekergedrag en tandartsbezoek anderzijds, zijn daarnaast zijn nog 200 personen met een laag inkomen bevraagd.

Resultaten
Uit de resultaten blijkt dat ziekenfondsverzekerden over het algemeen slecht op de hoogte zijn van welke vormen van tandheelkundige zorg worden vergoed in de hoofdverzekering. Dit geldt met name voor de periodieke controle: tweederde van de ondervraagden is in de veronderstelling dat de periodieke controle in de hoofdverzekering wordt vergoed. Hierin verschillen respondenten met en zonder aanvullende verzekering niet van elkaar. De helft van de ondervraagden geeft aan niet te zijn voorgelicht over de stelselherziening of herinnert het zich in elk geval niet.

Het verzekergedrag van de ondervraagden blijkt na 1 januari 2004 niet te zijn veranderd. Niet alleen hebben er slechts minieme verschuivingen plaatsgevonden (van niet-aanvullend verzekerd naar aanvullend verzekerd en vice versa), ook het aandeel aanvullend verzekerden in de totale populatie is na de herziening niet gewijzigd. Ook bij personen met een laag inkomen is geen sprake van veranderd verzekergedrag; zij vertonen hetzelfde gedrag als de totale populatie van ziekenfondsverzekerden.
Onder de ondervraagden die de afgelopen jaren de tandarts bezochten voor een behandeling bevinden zich relatief meer aanvullend verzekerden dan onder de groep die de afgelopen jaren geen behandeling heeft ondergaan. Dit kan betekenen dat personen met een slecht gebit zich vaker aanvullend laten verzekeren dan personen met een goed gebit. Het valt echter (ook) niet uit te sluiten dat aanvullend verzekerden vaker naar de tandarts gaan om zich te laten behandelen, omdat zij de kosten hiervan niet (helemaal) zelf hoeven te betalen.

Verder blijkt dat zich onder hoog opgeleiden relatief meer niet-aanvullend verzekerden bevinden dan onder lager opgeleiden, hetgeen zou kunnen wijzen op meer calculerend gedrag onder hoger opgeleiden. Er werd geen samenhang gevonden tussen verzekergedrag en inkomen.

Hoewel de verschillende (sub)groepen nauwelijks verschillen vertonen in verzekergedrag, zijn er wel degelijk verschillen in hun motieven om tot een bepaalde verzekeringsvorm te komen. Van de niet-aanvullend verzekerden in de reguliere steekproef is deze verzekeringsvorm voor éénvijfde een ‘gedwongen’ keuze geweest; in de additionele steekproef (de steekproef met lage inkomens) is dit 40%. In veel gevallen is de keuze echter ‘bewust’ gemaakt, door het afwegen van kosten en baten en het inschatten van risico’s. Bij ongeveer één op de zeven niet-aanvullend verzekerden is sprake van een ‘onbewuste’ keuze, bijvoorbeeld omdat men zich nooit heeft beziggehouden met de wijze waarop men is verzekerd.

Van de kleine groep die juist dit jaar heeft besloten zich aanvullend te verzekeren, deed bijna de helft dit vanwege het wegvallen van de periodieke controle uit de hoofdverzekering. Het kleine aantal opzeggingen vond voornamelijk plaats als gevolg van het anders uitvallen van de kosten-batenanalyse. Toch bleek los van deze kleine groep 3% van alle aanvullend verzekerden opzegging te hebben overwogen, waarvan een groot deel vanwege de gestegen premies. Met name onder hoger opgeleiden werd dit argument veel genoemd. De voorwaarden voor het afsluiten van een aanvullende verzekering weerspiegelen de redenen die werden genoemd om hier van af te zien.

Aanvullend verzekerden geven gemiddeld vaker aan naar de tandarts te gaan voor periodieke controle dan niet-aanvullend verzekerden. Ook geven zij minder vaak aan de bezoekfrequentie in de toekomst te zullen verlagen. De redenen om in de toekomst minder te gaan zijn voor beide groepen hetzelfde.

Conclusie
De bevindingen in het onderzoek lijken er op te wijzen dat voor het merendeel van de ziekenfondsverzekerden de tandheelkundige zorg voldoende toegankelijk is. Voor een kleine groep lijkt dit echter niet het geval. Het gaat hier om niet-aanvullend verzekerden die niet over voldoende middelen beschikken zich aanvullend te verzekeren en in de toekomst denken af te zien van tandheelkundige zorg, omdat zij deze niet kunnen betalen. Ook voor ziekenfondsverzekerden die niet bekend zijn met de herzieningen van de laatste jaren en in de toekomst te maken krijgen met gebitsproblemen is sprake van een verminderde toegankelijkheid.

Eindrapport
evaluatie stelselherziening Tandheelkundige Zorg 2003