Ziekteverzuim onderwijsondersteunend  personeel

Vervangingsfonds_box_185Opdrachtgever: Vervangingsfonds

Steekwoorden: sociale zaken, onderwijs, verzuimbeleid, re-integratie

Jaar: 2010

Inleiding
Ipso Facto heeft in opdracht van het Vervangingsfonds onderzoek gedaan naar het ziekteverzuim van onderwijsondersteunend personeel (OOP’ers) in het primair onderwijs. Al jaren is de trend dat OOP’ers meer verzuimen dan OP’ers (onderwijsgevend personeel). Het Vervangingsfonds streeft ernaar het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid van het onderwijspersoneel terug te dringen en op deze manier een gezonde en veilige werkomgeving te creëren. Het Vervangingsfonds wil graag inzicht in de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen, zodat gericht gewerkt kan worden aan vermindering van het ziekteverzuim bij OOP’ers. Er zijn genoeg cijfers over ziekteverzuim, maar inzicht in achterliggende oorzaken ontbreekt nog. Het onderzoek is uitgevoerd tussen april 2009 en januari 2010.

Doel en Werkwijze
Het onderzoek bestond uit een aantal elkaar opvolgende onderdelen:

  • Analyse bestaand materiaal (secundaire analyses)
  •  Inventariseren verklaringen deskundigen
  •  Inventariseren en toetsen verklaringen op scholen
  •  Schriftelijke enquête onder OP en OOP

 De secundaire analyses zijn uitgevoerd op bestaande data over verzuim in het primair onderwijs. Het doel hiervan was meer zicht te krijgen op de bestaande verschillen tussen OP en OOP en de samenhang tussen verzuim en achtergrondkenmerken. Vervolgens is een 15-tal deskundigen op het gebied van onderwijs en verzuim geïnterviewd om mogelijke verklaringen voor het ziekteverzuim in onderwijs (en de verschillen daarin tussen OP en OOP) in kaart te brengen. Deze verklaringen zijn aangevuld met informatie die is verkregen door medewerkers van scholen te interviewen. In totaal zijn 12 scholen bezocht waarbij zowel de directeur als vertegenwoordigers van het OP en OOP zijn geïnterviewd. Tot slot zijn alle mogelijk verklaringen vertaald in een enquête die is afgenomen onder OP en OOP. De respondenten zijn benaderd via de vakbonden Aob en CNV-onderwijs.

Bij het beantwoorden van de onderzoeksvragen heeft de nadruk gelegen op de relatie tussen functiekenmerken en ziekteverzuim. Gebleken is dat er weinig bekend is over verschillen binnen het OOP (tussen groepen werknemers), terwijl aangenomen kan worden dat er grote verschillen zijn (het OOP is een verzamelnaam voor een grote variëteit aan functies), en dat deze verschillen zich ook manifesteren in de hoogte van het ziekteverzuim. Om de relatie tussen functiekenmerken en verzuim te kunnen onderzoeken is onderscheid gemaakt in drie groepen in het OOP: conciërges, klassenassistenten en onderwijsassistenten. In de interviews met deskundigen en vertegenwoordigers van scholen zijn verklaringen voor het hogere verzuim van OOP met name aan deze beroepsgroepen gekoppeld.

Resultaten
De verklaringen en assumpties van deskundigen en vertegenwoordigers zijn getoetst aan de hand van een enquête die is gehouden onder 183 OP’ers en 268 OOP’ers. Hoewel een groot aantal verschillen is gevonden op functieniveau tussen de onderscheiden beroepsgroepen (conciërges, klassenassistenten, onderwijsassistenten en leerkrachten), zijn er nauwelijks verschillen op effectniveau, zoals ervaren belasting, werkdruk, tevredenheid met het werk etc. Er is wel enige variatie in het gemiddelde verzuimpercentage van de groepen, maar deze is relatief klein en de verschillen zijn niet significant. Voor zover er verschillen zijn gevonden tussen OP en de beroepsgroepen in het OOP, wijzen die vooral in de richting van een groter verzuimrisico voor het OP: zij vinden het werk meer belastend dan de andere groepen en zijn vaker ontevreden over de werkdruk.

Met het onderscheid op functieniveau is dan ook geen verklaring gevonden voor het hogere verzuim van het OOP. Het onderscheid tussen OOP’ers met een gesubsidieerde baan en OOP’ers met een ‘reguliere’ baan blijkt wel een verklaring te vormen: de groep OOP’ers met een gesubsidieerde baan rapporteert in ons onderzoek een gemiddeld verzuimpercentage dat bijna twee keer zo hoog is als het verzuimpercentage van het reguliere OOP. Doordat het verzuim van de groep gesubsidieerde OOP’ers zo hoog is, is het verzuimgemiddelde van het gehele OOP significant hoger dan dat van het OP. De verklaring hiervoor wordt gevonden in gezondheidsverschillen tussen de groepen: de groep gesubsidieerde OOP’ers beoordelen hun eigen gezondheid significant negatiever dan het reguliere OOP en het OP.

Op basis van deze uitkomst kan gesteld worden dat alleen de hypothese is bevestigd dat persoonskenmerken het verschil in ziekteverzuim tussen OP en OOP verklaren: een deel van het OOP (gestart in gesubsidieerd werk) is lichamelijk kwetsbaarder (voelt zich minder gezond), en is daardoor vaker ziek. Het hogere ziekteverzuim van deze groep heeft een negatief effect op het gemiddelde verzuimpercentage van het gehele OOP.

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is het niet eenvoudig om oplossingsrichtingen aan te dragen. Met name op korte termijn lijken de mogelijkheden beperkt om het ziekteverzuim van OOP te beïnvloeden. Op langere termijn zijn er in feite twee opties, die vooral een principiële keuze impliceren. De eerste optie is om een ander wervings- en selectiebeleid te gaan voeren, en daarmee te streven naar verandering van de samenstelling van het OOP: minder mensen met ‘een verleden’, en meer mensen die uit overtuiging en met de juiste opleiding kiezen voor een baan als OOP’er. De tweede optie is om te accepteren dat het OOP voor een deel bestaat uit meer kwetsbare werknemers, waardoor het ziekteverzuim gemiddeld wat hoger is dan dat van bijvoorbeeld het OP. Daarmee wordt echter ook werkgelegenheid geboden aan een groep die weinig alternatieven heeft op de arbeidsmarkt.